Ton Lathouwers situeert de zen-ervaring in het hart van de religieuze ervaring. Geloof is als zodanig nooit een kwestie van institutionele loyaliteit aan vormen, woorden, overlevering (ook niet die van zen), maar van een existentiële ervaring die opwelt, daar waar menselijkerwijs niets meer gedaan kan worden of nog mogelijk lijkt. Uit deze existentiële grenservaring, eigenlijk de ervaring van geen-grens, van alleen staan zonder alleen te zijn, vloeit - ofschoon nooit automatisch - het 'mededogen-voorbij-het-mededogen' voort. Deze karuna, deze zorgzaamheid om de ander, deze bekommernis op het kwetsbare en misdeelde, is geen morele, laat staan een sentimentele keuze. Nee, het is de gehoorzaamheid aan de vrijheid die alle levende wezens aangeboren is. Groot geloof, groot vertrouwen en grote inzet zijn dan niet enkele de voorwaarden van een authentieke zenpraktijk, zij zijn er ook de expressie van. In een poging dit onnoembare dichterbij te brengen citeert Ton Lathouwers in zijn teisho's uit een breed scala van authentieke religieuze ervaringen van de mens aan en voorbij de grens. Naast de klassieke zenliteratuur en de vernieuwers in de zen (o.a. Hisamatsu Shin'ichi en Masao Abe), ook uit de vroegchristelijke literatuur, het oosters-orthodoxe christendom, de joods-chassidische traditie,Russische literatuur (m.n. Dostojewskij en Sjestow) en 20e eeuwse filosofen (Kierkegaard en Nietzsche). De Maha Karuna Ch'an-groepen vertolken deze inspiratie van Ton Lathouwers in hun nadruk op de volgehouden, liefdevolle praktijk van zazen. Kenmerkend is de terughoudendheid tegenover de overname van al te cultureel bepaalde oosterse vormen en een te snelle aanpassing aan, en vertaling van die vormen naar een westerse smaak. |